|
Toegang tot de opdracht 'Assignment'
|
-
Ga naar het hoofdscherm van het programma. Zie Commando-knooppunten.
-
Tik op het pictogram ‘Opdracht ’ in het gereedschapskistje ‘Commando’s’.
Er wordt een knooppunt met drie bewerkbare velden in de programmastructuur ingevoegd:
-
Variabele
-
Waardetype
-
Expressie
-
Tik op het veld ‘Variabele’ om je variabele te kiezen:
Het veld 'Variabele' bevat de naam van de variabele. Standaard heet de variabele var .
|
| |
-
Tik op het veld ‘Waardetype’ en selecteer de gewenste optie:
-
Array
-
Boolean
-
Float
-
Raster
-
Integer
-
Matrix
-
Positie
-
String
-
Timer
-
Waypoint
Het veld 'Type waarde' bevat het type variabele dat u aanmaakt.
| Type
|
Toegestane waarden/voorbeelden
|
Voorbeelden
|
| Array |
Een lijst met waarden |
|
| Boolean |
Waar/Onwaar |
Waar |
| Float |
Een waarde met een decimaalteken |
1,23 |
| Raster |
Een raster gedefinieerd in de applicatie |
|
| Integer |
Een geheel getal |
5 |
| Matrix |
|
|
| Positie |
Een positie waarin de robot moet bewegen |
p[0,0,0,0,0,0,] |
| String |
Tekst |
“Hallo wereld” |
| Waypoint |
Een waypoint wordt in het programma gedefinieerd |
|
|
| |
-
Tik op het veld Expressie, selecteer uw variabelen en expressie en tik op Bevestigen. De Expression is de waarde die aan de variabele moet worden toegewezen. Zie Expressie-editor
Opmerking: Tik op het pictogram pijl naar links en pijl naar rechts in de rechterzijbalk van het hoofdscherm als je de opdracht ongedaan wilt maken.
|