|
Toegang tot de Loop-opdracht
|
-
Ga naar het hoofdscherm van het programma. Zie Commando-knooppunten.
-
Tik op het pictogram ‘Loop ’ in de werkbalk ‘Commands’.
Er wordt een knooppunt met het veld ‘Loop Type’ in de programmastructuur ingevoegd.
-
Tik op het veld ‘Loop Type ’. Er zijn drie opties beschikbaar:
-
Altijd . Alle commando's onder het loop-commando worden continu herhaald, zoals het Loop-programma ,dat alles onder het Hoofdprogramma continu herhaalt.
-
X keer . Herhaalt alle commando’s in de lusopdracht het aantal keren dat is ingevoerd.
-
Terwijl . Gebruik een bepaalde uitdrukking als trigger om de cyclus te beëindigen.
-
Tik op het tabblad ‘Altijd ’. Er hoeven geen verdere acties te worden ondernomen.
|
| |
-
Tik X keer ,waarna er aan de rechterkant twee extra tabbladen verschijnen:
-
Breng uw aanpassingen aan op het tabblad X keer en tik op Bevestigen.
-
Pas op het tabblad ‘Variabelenaam’ de naam aan en klik op ‘Bevestigen’.
-
Tik op Terwijl . Rechts verschijnt een extra tabblad ‘Expressie ’.
-
Tik op Uitdrukking om een uitdrukking te maken die tussen 1 en 1000 tekens moet zijn, en tik vervolgens op Bevestigen .
|