Instellen

Beschrijving

Met het commando ` Set ` kun je een bepaalde waarde toewijzen aan digitale of analoge uitgangen.

 

Toegang tot de opdracht 'Set'

  1. Ga naar het hoofdscherm van het programma. Zie Commando-knooppunten.

  2. Tik op het pictogram ‘Instellen’ in het gereedschapskistje ‘Opdrachten’.

  3. Er wordt een knooppunt met een bewerkbaar veld ‘Bron’ in de programmastructuur ingevoegd, waarmee u ‘Wired IO’ en ‘Tool IO’ kunt selecteren.

  4. Tik op het veld ‘Bron ’.

     
 
  1. Wanneer u ‘Wired IO’ selecteert, wordt er een veld ‘Signaal’ ingevoegd.

  2. Tik in het veld ‘Signaal’ op het signaal van je keuze.

    • DO 0–DO 7: Digitaal signaal

    • CO 0–CO 7: Digitaal signaal

    • AO 0–AO 1: analoog signaal

  3. Wanneer een digitaal signaal wordt geselecteerd, wordt rechts daarvan een veld ‘Waarde’ ingevoegd.

  4. Kies Hoog of Laag .

  5. Wanneer een analoog signaal wordt geselecteerd, wordt rechts een veld ‘Waarde’ ingevoegd.

  6. Voer de gegevens in op de tabbladen ‘Waarde’, ‘Variabele’ en ‘Uitdrukking ’ en tik op ‘Bevestigen’. Zie de tabbladen Tabbladen 'Waarde', 'Variabele' en 'Uitdrukking'

  7. Wanneer u ‘Tool IO’ selecteert, wordt er een veld ‘Signaal’ ingevoegd.

  8. Kies DO 0 of DO 1.

    Rechts wordt een veld ‘Waarde’ ingevoegd met drie opties:

    • Variabele gebruiken

    • Hoog

    • Laag

  9. Tik op ‘Variabele gebruiken’, waarna de tabbladen ‘Variabele’ en ‘Uitdrukking’ verschijnen.

  10. Voer gegevens in op de twee tabbladen en tik op Bevestigen . Zie de tabbladen Tabbladen 'Waarde', 'Variabele' en 'Uitdrukking'

  11. Je kunt in het veld ‘Waarde’ ook kiezen tussen ‘Hoog ’ of ‘Laag ’.